Geef een antwoord en laat leerlingen de vraag erbij bedenken. Laat leerlingen overeenkomsten noemen van twee duidelijk verschillende voorwerpen. Of vraag ze: hoe kun je water drinken met een vel papier? Dit zijn voorbeelden van activiteiten die het denken van jonge kinderen stimuleren. Denksleutels is een inspirerende verzameling van twintig van dit soort activiteiten.
Australiër Tony Ryan bedacht ze in 1998 als de Thinkers Keys. Het samenwerkingsverband Veghel e.o. vertaalde dit concept in het kader van het Excellentieproject MIND. Op de website van het samenwerkingsverband vind je uitleg en afdrukbare pdf-bestanden.
Vanaf zondagochtend 11 november start bij Z@PP op Nederland 3 een serie 'Dus ik ben jr.' over filosoferen met kinderen. De afleveringen beginnen steeds om 10.25 uur.
Claire Boonstra laat in het videoverslag van haar presentatie (Engelstalig) op TEDxAmsterdam ED een vraag zien uit een CITO-test voor 8-jarigen. De vraag bij de afbeelding rechts luidt: welke hoort er niet bij? Volgens de makers van de test is het enige goede antwoord D. Misschien is dat ook je eerste reactie.
Prima, het vervoermiddel D heeft geen wielen - als je het landingsgestel niet meetelt - en is als enige bedoeld voor reizen door de lucht.
Maar... als D een goed antwoord is, betekent dat dat andere antwoorden fout zijn? Boonstra vertelt dat het kind van een kennis antwoord C geeft. "Want het is het enige vervoermiddel dat niet bedoeld is om passagiers te verplaatsen." Het CITO rekent het fout, maar ik reken het hartstikke goed.
Eigenlijk vind ik dat je pas echt laat zien dat je kunt denken als je ook een goede reden kunt vinden waarom antwoord A goed is. En antwoord B. Probeer het maar eens!
Oké, nog een stukje theorie dan. Wat je oefent met bovenstaande opdracht heet divergerend denken. Je probeert dan met zo veel mogelijk verschillende oplossingen te komen. Het kiezen van het beste antwoord noem je convergerend denken. En een goede denker kan het allebei.
Heb je wel eens een kat van grote hoogte zien vallen, waarna het beestje toch keurig op zijn pootjes terecht kwam? Heb je wel eens gezien hoe mieren, hoe klein ze ook zijn, gezamenlijk sjouwen en bouwen en zo de knapste hopen maken? Of in een natuurdocumentaire gezien hoe een Jan van Gent vanuit de lucht onder water duikt en daar een vis te grazen neemt?
Wij mensen zijn natuurlijk de allerknapste wezens op aarde. We kunnen moppen vertellen, vliegtuigen bouwen en via een slim systeem praten met mensen aan de andere kant van de wereldbol. Toch zijn er genoeg dingen te bedenken waar dieren knapper in zijn of sterker nog: die wij nooit zullen kunnen.
Opdracht
Maak een top 10-lijstje van dingen die dieren beter kunnen dan wij. Doe je deze opdracht met meerdere denkkundigen, probeer dan ieder apart een lijstje te maken. Voor elk ding dat op meer dan een lijstje staat moeten beide denkkundige een ander onderwerp zoeken. Op mijn lijstje staat al vliegen, dus die telt niet meer. Houd je van zoeken en knutselen op internet, verzamel dan filmpjes of foto's om je top 10 te illustreren en stuur me de link. De mooiste verzamelingen plaats ik onderaan deze opdracht!
Een van de hulpmiddelen die we hebben om dingen te begrijpen zijn metaforen. Je vergelijkt dan iets wat je kent of je voor kunt stellen met hetgeen je wilt begrijpen.
Misschien heb je het geweldige DWDD-college van Robbert Dijkgraaf gezien. Daarin legt hij iets uit dat heel moeilijk voor te stellen is: hoe groot is de aarde ten opzichte van de zon en hoe moet je de onderlinge afstand zien? Natuurlijk kan de encyclopedie je de cijfers geven: de doorsnedes en afstand in kilometers, maar om het een beetje te begrijpen helpt dat niet.
Dijkgraaf heeft daar wel een oplossing voor. Hij pakt een grapefruit (de zon) en een peperkorreltje (de aarde). Dan laat hij Matthijs van Nieuwkerk de grapefruit vasthouden en loopt zelf met het peperkorreltje tien meter van hem vandaan. Ineens kun je de verhoudingen tussen de zon en aarde en hun onderlinge afstand iets beter voorstellen. En je vergeet het nooit meer!
De mensheid is al een hele poos bezig om proberen te begrijpen hoe de hersenen werken. De psychiater Sigmund Freud deed dat door de hersenen met een stoommachine te vergelijken. Dat was in dit tijd een populair apparaat.Als je boos werd (de machine werd heet), moest je die woede wel kwijt (de stoom moest ontsnappen). Toen de computer werd uitgevonden, begonnen we de hersenen met een computer te vergelijken: een slimme rekenmachine die snel is in het verwerken van informatie.
Opdracht
Bedenk zelf een metafoor waarmee je je brein zou kunnen vergelijken. De vergelijking mag over één of enkele functies van je brein gaan, zoals dromen of verdrietig zijn. Bedenk iets anders dan een stoommachine en een computer, want die hebben anderen al bedacht. Schrijf op of vertel waarmee je je brein vergelijkt en leg de vergelijking kort uit.